Waarom Darwin alleen bij de twééde schepping past
De Engelse natuuronderzoeker Charles Darwin (1809) studeerde geneeskunde en theologie en vertrok na zijn studie op een lange onderzoeksreis naar Zuid-Amerika met het schip Beagle.
Op basis van zijn waarnemingen tijdens deze reis ontwikkelde hij zijn evolutietheorie, een theorie over het ontstaan en de ontwikkeling van het leven.
Volgens Darwin evolueert het leven doordat organismen die het beste zijn aangepast aan hun omgeving de grootste kans hebben om te overleven en zich voort te planten. Het genetische erfelijk materiaal van individuen verandert daarbij, soms spontaan, soms onder invloed van factoren van buitenaf. Over miljoenen jaren passen soorten zich zo geleidelijk aan en veranderen zij, omdat organismen met de meest gunstige eigenschappen overleven en hun DNA doorgeven.
Darwin voorzag daarmee ook het belang van de genetica, de wetenschap die zich bezighoudt met erfelijkheid; de ontwikkeling van deze wetenschap geldt als een belangrijk bewijs voor het darwinisme, dat beschrijft hoe biologische soorten voortdurend veranderen en zich aanpassen om te kunnen overleven.
In de geschiedenis van de tweede schepping; deze aarde, was eencellig leven een noodzakelijke bouwsteen om uiteindelijk complex, meercellig leven te kunnen vormen. De uitwerking van dit evolutionaire proces volgt een wetmatigheid in de natuur, die vanuit gnostisch oogpunt kan worden gezien als een van de door God geschapen randvoorwaarden voor het leven in de tweede schepping.
Discussie of strijd tussen de godsdiensten en de wetenschap rond het Darwinisme, heeft dan ook geen enkele reden van bestaan. Noch voor- of tegenstanders van de evolutieleer zijn op de hoogte van de twee scheppingen. Darwinistische evolutie vond volgens gnostici enkel in de twééde schepping plaats volgens het vooraf bepaalde ritme van de tijd, en niet in de eerste, waar morfologie in stoffelijke zin niet eens bestaat.
